Bij het bewijzen van een stelling bewijs je meestal een implicatie van de vorm:
∀x∈S:P(x)⟹Q(x)
Triviaal en vaculeus bewijs
Een makkelijke manier om een implicatie te bewijzen zijn met een triviaal of met een vaculeus bewijs. Bij een triviaal bewijs toon je aan dat Q(x) altijd waar is, wat de implicatie waar maakt. Bij een vaculeus bewijs toon je aan dat P(x) nooit waar is, wat de implicatie ook waar maakt.
Dit is een voorbeeld van een triviaal bewijs:
Stelling
∀x∈R:x<0⟹x2+1>0
Bewijs
Neem x∈R. Omdat x2≥0, geldt x2+1≥1>0. Dus x2+1>0. QED.
En dit is een voorbeeld van een vaculeus bewijs:
Stelling
∀x∈R:x2−2x+2≤0⟹x3≥8
Bewijs
Neem x∈R. Merk op dat x2−2x+1=(x−1)2.
x2−2x+2=(x−1)2+1≥0
Dus x2−2x+2≤0 is nooit waar. QED.
Direct bewijs
Bij een direct bewijs van de bewering ∀x∈S:P(x)⟹Q(x) nemen we een element x∈S waarvoor P(x) waar is, en gebruiken we eigenschappen van P(x) om aan te tonen dat Q(x) waar is.
Stelling
Voor iedere n∈Z, als n oneven is, dan is 3n+7 even.
Bewijs
Neem een oneven n∈Z. Omdat n oneven is, bestaat er een k∈Z zodat n=2k+1. Dan geldt:
3n+7=3(2k+1)+7=6k+10=2(3k+5)
Omdat 3k+5∈Z, geldt dat 2(3k+5)=3n+7 even is. QED.
Contrapositie
Bij een bewijs met contrapositie van de bewering ∀x∈S:P(x)⟹Q(x), toon je aan dat ∀x∈S:¬Q(x)⟹¬P(x) waar is. Dit is logisch equivalent aan de eerste bewering, waarmee die dus ook bewezen is.
Stelling
Voor iedere x∈Z, als 5x−7 even is, dan is x oneven.
Bewijs
Neem x∈Z. We bewijzen dit met contrapositie, dus we nemen aan dat x even is en tonen aan dat 5x−7 oneven is.
Er bestaat dus een k∈Z zodat x=2k. Dit geeft:
5x−7=5(2k)−7=2(5k−4)+1
Omdat 5k−4∈Z, geldt dat 2(5k−4)+1=5x−7 oneven is. QED.
Lemma
Een lemma is een (kleine) stelling die helpt bij het bewijzen van een grotere stelling. Het is dus eigenlijk een hulpstelling.
Gevalsonderscheiding
Het kan soms handig zijn een bewering te bewijzen door verschillende gevallen te onderscheiden.
Bij gevalsonderscheiding moeten de gevallen alle mogelijkheden dekken. Er mag wel overlap in zitten.
Stelling
Voor elke n∈Z geldt dat n2+3n+5 oneven is.
Bewijs
Neem n∈Z. We onderscheiden twee gevallen: (1) n is even en (2) n is oneven.
Geval (1): n is even. Dan bestaat er een k∈Z zodat n=2k Dit geeft n2+3n+5=(2k)2+3(2k)+5=4k2+6k+5=2(2k2+3k+2)+1. Omdat 2k2+3k+2∈Z, geldt dat 2(2k2+3k+2)+1=n2+3n+5 oneven is.
Geval (2): n is oneven. Dan bestaat er een k∈Z zodat n=2k+1. Dit geeft n2+3n+5=(2k+1)2+3(2k+1)+5=4k2+10k+9=2(2k2+5k+4)+1. Omdat 2k2+5k+4∈Z, geldt dat 2(2k2+5k+4)+1=n2+3n+5 oneven is.
QED.
Soms is het bij gevalsonderscheiding handig om zelfs nog deelgevallen te onderscheiden.