Jeroen's Studie Archief
Bewijzen in de wiskunde 23 september 2024

Bewijzen met reële getallen, verzamelingen, tegenvoorbeelden en contradictie

Bewijzen met reële getallen

Bij bewijzen met reële getallen gebruik je vaak dat xn≥0x^n \ge 0 voor even, positieve nn.

Stelling

∀x,y∈R:13x2+34y2≥xy \forall x,y \in\R : \tfrac13 x^2 + \tfrac34 y^2 \ge xy

Bewijs

Neem x,y∈Rx,y\in\R. Merk op dat (2x−3y)2=4x2−12xy+9y2(2x-3y)^2 = 4x^2 - 12xy + 9y^2. Nu krijgen we:

(2x−3y)2≥0 (2x-3y)^2 \ge 0

4x2−12xy+9y2≥0 4x^2 - 12xy + 9y^2 \ge 0

4x2+9y2≥12xy 4x^2 + 9y^2 \ge 12xy

13x2+34y2≥xy \tfrac13 x^2 + \tfrac34 y^2 \ge xy

QED.

Driehoeksongelijkheid

Een belangrijke stelling over reële getallen is de driehoeksongelijkheid. Om dat te bewijzen, bewijzen we eerst een handig lemma.

Lemma

∀x∈R:∣x∣2=x2 \forall x \in \R : |x|^2 = x^2

Bewijs

Neem een x∈Rx\in\R. We onderscheiden gevallen (1) x≥0x\ge0 en (2) x<0x<0.

(1) We nemen aan dat x≥0x\ge0. Dan, per definitie van de absolute waarde, geldt ∣x∣=x|x|=x en dus ook ∣x∣2=x2|x|^2=x^2.

(2) We nemen aan dat x<0x<0. Dan, per definitie van de absolute waarde, geldt ∣x∣=−x|x|=-x en daaruit volgt dat ∣x∣2=(−x)2=x2|x|^2=(-x)^2=x^2.

QED.

Dan nu de stelling.

Stelling

∀x,y∈R:∣x+y∣≤∣x∣+∣y∣ \forall x,y \in \R : |x + y| \le |x| + |y|

Bewijs

Neem x,y∈Rx,y\in\R. Merk op dat ∣x∣∣y∣≥xy|x||y|\ge xy. Uit het lemma en hieruit volgt:

xy≤∣x∣∣y∣x2+2xy+y2≤x2+2∣x∣∣y∣+y2x2+2xy+y2≤∣x∣2+2∣x∣∣y∣+∣y∣2(x+y)2≤(∣x∣+∣y∣)2(∣x+y∣)2≤(∣x∣+∣y∣)2∣x+y∣≤∣x∣+∣y∣ \begin{aligned} xy &\le |x||y| \\ x^2 + 2xy + y^2 &\le x^2 + 2|x||y| + y^2 \\ x^2 + 2xy + y^2 &\le |x|^2 + 2|x||y| + |y|^2 \\ (x+y)^2 &\le (|x|+|y|)^2 \\ (|x+y|)^2 &\le (|x|+|y|)^2 \\ |x+y| &\le |x|+|y| \end{aligned}

QED.

Bewijzen met verzamelingen

Bij bewijzen met verzamelingen is het vaak handig om een bepaalde xx uit een verzameling te nemen, en daarmee te redeneren met de eigenschappen van de verzameling.

Voor gelijkheid van verzamelingen AA en BB toon je eerst aan dat A⊆BA \subseteq B, en daarna B⊆AB \subseteq A.

Stelling

A\B=A∩B‾ A \backslash B = A \cap \overline B

Bewijs

We bewijzen (1) A\B⊆A∩B‾A \backslash B \subseteq A \cap \overline B en (2) A∩B‾⊆A\BA \cap \overline B \subseteq A \backslash B.

(1) Neem een x∈A\Bx \in A \backslash B. Dan geldt x∈Ax \in A en x∉Bx \notin B. Omdat x∉Bx \notin B, geldt x∈B‾x \in \overline B. Er geldt dus x∈Ax \in A en x∈B‾x \in \overline B, dus x∈A∩B‾x \in A \cap \overline B. Uit x∈A\B  ⟹  x∈A∩B‾x \in A \backslash B \implies x \in A \cap \overline B concluderen we dat A\B⊆A∩B‾A \backslash B \subseteq A \cap \overline B.

(2) Neem een x∈A∩B‾x \in A \cap \overline B. Dus x∈Ax \in A en x∈B‾x \in \overline B. Uit x∈B‾x \in \overline B volgt x∉Bx \notin B. Er geldt dus x∈Ax \in A en x∉Bx \notin B, dus x∈A\Bx \in A \backslash B. Uit x∈A∩B‾  ⟹  x∈A\Bx \in A \cap \overline B \implies x \in A \backslash B concluderen we dat A∩B‾⊆A\BA \cap \overline B \subseteq A \backslash B.

QED.

Carthesisch product

Voor bewijzen met carthesische producten neem je een (x,y)(x,y) uit de verzameling en redeneer je met de eigenschappen van de verzameling.

Stelling

(A⊆C∧B⊆D)  ⟹  A×B⊆C×D (A \subseteq C \land B \subseteq D) \implies A \times B \subseteq C \times D

Bewijs

Neem aan dat A⊆CA \subseteq C en B⊆DB \subseteq D. Laat (x,y)∈A×B(x,y) \in A \times B. Dan geldt dat x∈Ax \in A. Omdat A⊆CA \subseteq C, geldt ook dat x∈Cx \in C. Vergelijkbaar geldt dat y∈By \in B, waaruit volgt dat y∈Dy \in D.

Omdat x∈Cx \in C en y∈Dy \in D, geldt dat (x,y)∈C×D(x,y) \in C \times D.

Uit (x,y)∈A×B  ⟹  (x,y)∈C×D(x,y) \in A \times B \implies (x,y) \in C \times D concluderen we dat A×B⊆C×DA \times B \subseteq C \times D.

QED.

Tegenvoorbeelden

Van een bewering van de vorm ∀x∈S:P(x)\forall x \in S : P(x) is de negatie ¬(∀x∈S:P(x))≡∃x∈S:¬P(x)\lnot(\forall x \in S : P(x)) \equiv \exists x \in S : \lnot P(x). Dit betekent dat, om deze bewering te ontkrachten, we maar één geval hoeven te vinden waarvoor P(x)P(x) niet waar is.

Let op: er kunnen meerdere gevallen zijn waarvoor ¬P(x)\lnot P(x), maar minstens één geval is genoeg.

Voorbeeld

Gegeven is de bewering ∀x∈R:(x−1)2>0 \forall x \in \R : (x-1)^2 > 0 . Voor x=0x=0 is deze bewering niet waar, dus daarmee is aangetoond dat de hele bewering niet waar is.

Contradictie

Bij het bewijzen van een bewering PP kan contradictie gebruikt worden. Bij contradictie neem je aan dat ¬P\lnot P, om vervolgens FF (niet waar) te concluderen. Als dit lukt, is er bewezen dat PP waar is.

Stelling

Er bestaat geen kleinste x∈R+x \in \R^+.

Bewijs

Met bewijs uit contradictie, neem aan dat er een kleinste x∈R+x \in \R^+ bestaat. Dan geldt ook dat 12x∈R+\frac12 x \in \R^+. Maar 12x<x\frac12x < x, dus we hebben een contradictie. QED.

Nog een voorbeeld:

Stelling

∀x∈R\Q:∀r∈Q\{0}:xr∉Q \forall x \in \R \backslash \mathbb Q : \forall r \in \mathbb Q \backslash \{0\} : xr \notin \mathbb Q

Bewijs

Neem een x∈R\Qx \in \R \backslash \mathbb Q en r∈Qr \in \mathbb Q. Omdat r∈Qr \in \mathbb Q, geldt dat er a,b∈Za,b\in\Z met a,b≠0a,b\neq0 bestaan zodat r=abr=\dfrac ab.

Met bewijs uit contradictie, neem aan dat xr∈Qxr \in \mathbb Q. Dan bestaan er c,d∈Zc,d\in\Z met d≠0d\neq0 zodat xr=cdxr=\dfrac cd. Dit geeft xab=cdx \dfrac ab = \dfrac cd, waaruit volgt dat x=bcadx=\dfrac{bc}{ad}.

Omdat bc,ad∈Zbc,ad\in\Z en ad≠0ad\neq0 geldt dat x∈Qx\in\mathbb Q. Dit is een contradictie. QED.

Gemaakt door Jeroen van Rensen.