Jeroen's Studie Archief

Equivalentie-relaties

Bewijzen met reële getallen

Bij bewijzen met reële getallen gebruik je vaak dat xn0x^n \ge 0 voor even, positieve nn.

Stelling

x,yR:13x2+34y2xy \forall x,y \in\R : \tfrac13 x^2 + \tfrac34 y^2 \ge xy

Bewijs

Neem x,yRx,y\in\R. Merk op dat (2x3y)2=4x212xy+9y2(2x-3y)^2 = 4x^2 - 12xy + 9y^2. Nu krijgen we:

(2x3y)20 (2x-3y)^2 \ge 0

4x212xy+9y20 4x^2 - 12xy + 9y^2 \ge 0

4x2+9y212xy 4x^2 + 9y^2 \ge 12xy

13x2+34y2xy \tfrac13 x^2 + \tfrac34 y^2 \ge xy

QED.

Driehoeksongelijkheid

Een belangrijke stelling over reële getallen is de driehoeksongelijkheid. Om dat te bewijzen, bewijzen we eerst een handig lemma.

Lemma

xR:x2=x2 \forall x \in \R : |x|^2 = x^2

Bewijs

Neem een xRx\in\R. We onderscheiden gevallen (1) x0x\ge0 en (2) x<0x<0.

(1) We nemen aan dat x0x\ge0. Dan, per definitie van de absolute waarde, geldt x=x|x|=x en dus ook x2=x2|x|^2=x^2.

(2) We nemen aan dat x<0x<0. Dan, per definitie van de absolute waarde, geldt x=x|x|=-x en daaruit volgt dat x2=(x)2=x2|x|^2=(-x)^2=x^2.

QED.

Dan nu de stelling.

Stelling

x,yR:x+yx+y \forall x,y \in \R : |x + y| \le |x| + |y|

Bewijs

Neem x,yRx,y\in\R. Merk op dat xyxy|x||y|\ge xy. Uit het lemma en hieruit volgt:

xyxyx2+2xy+y2x2+2xy+y2x2+2xy+y2x2+2xy+y2(x+y)2(x+y)2(x+y)2(x+y)2x+yx+y \begin{aligned} xy &\le |x||y| \\ x^2 + 2xy + y^2 &\le x^2 + 2|x||y| + y^2 \\ x^2 + 2xy + y^2 &\le |x|^2 + 2|x||y| + |y|^2 \\ (x+y)^2 &\le (|x|+|y|)^2 \\ (|x+y|)^2 &\le (|x|+|y|)^2 \\ |x+y| &\le |x|+|y| \end{aligned}

QED.

Bewijzen met verzamelingen

Bij bewijzen met verzamelingen is het vaak handig om een bepaalde xx uit een verzameling te nemen, en daarmee te redeneren met de eigenschappen van de verzameling.

Voor gelijkheid van verzamelingen AA en BB toon je eerst aan dat ABA \subseteq B, en daarna BAB \subseteq A.

Stelling

A\B=AB A \backslash B = A \cap \overline B

Bewijs

We bewijzen (1) A\BABA \backslash B \subseteq A \cap \overline B en (2) ABA\BA \cap \overline B \subseteq A \backslash B.

(1) Neem een xA\Bx \in A \backslash B. Dan geldt xAx \in A en xBx \notin B. Omdat xBx \notin B, geldt xBx \in \overline B. Er geldt dus xAx \in A en xBx \in \overline B, dus xABx \in A \cap \overline B. Uit xA\B    xABx \in A \backslash B \implies x \in A \cap \overline B concluderen we dat A\BABA \backslash B \subseteq A \cap \overline B.

(2) Neem een xABx \in A \cap \overline B. Dus xAx \in A en xBx \in \overline B. Uit xBx \in \overline B volgt xBx \notin B. Er geldt dus xAx \in A en xBx \notin B, dus xA\Bx \in A \backslash B. Uit xAB    xA\Bx \in A \cap \overline B \implies x \in A \backslash B concluderen we dat ABA\BA \cap \overline B \subseteq A \backslash B.

QED.

Carthesisch product

Voor bewijzen met carthesische producten neem je een (x,y)(x,y) uit de verzameling en redeneer je met de eigenschappen van de verzameling.

Stelling

(ACBD)    A×BC×D (A \subseteq C \land B \subseteq D) \implies A \times B \subseteq C \times D

Bewijs

Neem aan dat ACA \subseteq C en BDB \subseteq D. Laat (x,y)A×B(x,y) \in A \times B. Dan geldt dat xAx \in A. Omdat ACA \subseteq C, geldt ook dat xCx \in C. Vergelijkbaar geldt dat yBy \in B, waaruit volgt dat yDy \in D.

Omdat xCx \in C en yDy \in D, geldt dat (x,y)C×D(x,y) \in C \times D.

Uit (x,y)A×B    (x,y)C×D(x,y) \in A \times B \implies (x,y) \in C \times D concluderen we dat A×BC×DA \times B \subseteq C \times D.

QED.

Tegenvoorbeelden

Van een bewering van de vorm xS:P(x)\forall x \in S : P(x) is de negatie ¬(xS:P(x))xS:¬P(x)\lnot(\forall x \in S : P(x)) \equiv \exists x \in S : \lnot P(x). Dit betekent dat, om deze bewering te ontkrachten, we maar één geval hoeven te vinden waarvoor P(x)P(x) niet waar is.

Let op: er kunnen meerdere gevallen zijn waarvoor ¬P(x)\lnot P(x), maar minstens één geval is genoeg.

Voorbeeld

Gegeven is de bewering xR:(x1)2>0 \forall x \in \R : (x-1)^2 > 0 . Voor x=0x=0 is deze bewering niet waar, dus daarmee is aangetoond dat de hele bewering niet waar is.

Contradictie

Bij het bewijzen van een bewering PP kan contradictie gebruikt worden. Bij contradictie neem je aan dat ¬P\lnot P, om vervolgens FF (niet waar) te concluderen. Als dit lukt, is er bewezen dat PP waar is.

Stelling

Er bestaat geen kleinste xR+x \in \R^+.

Bewijs

Met bewijs uit contradictie, neem aan dat er een kleinste xR+x \in \R^+ bestaat. Dan geldt ook dat 12xR+\frac12 x \in \R^+. Maar 12x<x\frac12x < x, dus we hebben een contradictie. QED.

Nog een voorbeeld:

Stelling

xR\Q:rQ\{0}:xrQ \forall x \in \R \backslash \mathbb Q : \forall r \in \mathbb Q \backslash \{0\} : xr \notin \mathbb Q

Bewijs

Neem een xR\Qx \in \R \backslash \mathbb Q en rQr \in \mathbb Q. Omdat rQr \in \mathbb Q, geldt dat er a,bZa,b\in\Z met a,b0a,b\neq0 bestaan zodat r=abr=\dfrac ab.

Met bewijs uit contradictie, neem aan dat xrQxr \in \mathbb Q. Dan bestaan er c,dZc,d\in\Z met d0d\neq0 zodat xr=cdxr=\dfrac cd. Dit geeft xab=cdx \dfrac ab = \dfrac cd, waaruit volgt dat x=bcadx=\dfrac{bc}{ad}.

Omdat bc,adZbc,ad\in\Z en ad0ad\neq0 geldt dat xQx\in\mathbb Q. Dit is een contradictie. QED.

Gemaakt door Jeroen van Rensen.