Een existentiële bewering is van de vorm ∃x∈S:P(x). Hier is het genoeg om één geval te noemen.
Stelling
∃x∈Z:x3=x2
Bewijs
Aangezien 13=12, heeft het getal 1 de gewenste eigenschap. QED.
Bij een existentiëel bewijs is het niet nodig om een expliciet voorbeeld te geven, impliciet kan ook.
Stelling
∃a,b∈R\Q:ab∈Q
Bewijs
Beschouw het getal (2)2. Dit getal is (1) rationaal of (2) irrationaal.
(1) Als (2)2 rationaal is, kiezen we a=b=2. Dan is ab rationaal.
(2) Als (2)2 irrationaal is, kiezen we a=(2)2 en b=2. Dan is ab=((2)2)2=(2)2=2∈Q.
QED.
Uniciteit
Als A een verzameling is, zeggen we dat x∈Auniek wordt bepaald door een eigenschap P(x) precies als ∀a,b∈A:(P(a)∧P(b))⟹a=b.
Stelling
Voor elke x∈R met x>0 bestaat er een uniekey∈R zodat y>0 en y2=x.
Bewijs
We bewijzen (1) dat zo'n y bestaat en (2) dat die y uniek is.
(1) Kies y=x. Dan geldt y2=x, zoals gewenst.
(2) Laat x∈R met x>0. Stel dat y,y′∈R met y,y′>0 voldoen aan y2=x en y′2=x. Dan geldt y2=y′2. En omdat y,y′>0 geldt ook dat y=y′.
Existentiële beweringen weerleggen
Voor het weerleggen van een existentiële bewering bewijzen we dat de negatie waar is.
Stelling
Bewijs dat ¬(∃n∈Z:2∣n3−n+1).
Bewijs
We bewijzen dat ∀n∈Z:2∤n3−n+1, waarbij we de gevallen onderscheiden (1) 2∣n en (2) 2∤n.
(1) We nemen aan dat 2∣n. Dan bestaat er een k∈Z zodat n=2k. Invullen geeft n3−n+1=(2k)3−2k+1=8k3−2k+1=2(4k3−k)+1. Omdat 4k3−k∈Z, geldt dat 2(4k3−k)+1=n3−n+1 oneven is.
(2) We nemen aan dat 2∤n. Dan bestaat er een k∈Z zodat n=2k+1. Invullen geeft n3−n+1=(2k+1)3−(2k+1)+1=8k3+2k2+4k+1=2(4k3+k2+2k)+1. Omdat 4k3+k2+2k∈Z, geldt dat 2(4k3+k2+2k)+1=n3−n+1 oneven is.
QED.
Ceiling
Voor x∈R is de ceiling van x, notatie ⌈x⌉, het kleinste gehele getal a∈Z zodat x≤a.
Voorbeelden
⌈2.9⌉=3,⌈−1.5⌉=−1,⌈4⌉=4
Inductie
Kleinste element en gewelordend
Laat A⊆R. Een element x∈A is een kleinste element of minimum van A als ∀y∈A:y≥x.
Opmerking: een kleinste element hoeft niet te bestaan. De verzameling Z bijvoorbeeld heeft geen kleinste element.
Stelling
Een kleinste element is uniek.
Bewijs
Laat x,y∈A kleinste elementen zijn van A. Omdat x een kleinste element is, geldt y≥x. Maar omdat y een kleinste element is, geldt ook x≥y. Hieruit volgt dus dat x=y. QED.
Een verzameling S is gewelordend als elke niet-lege deelverzameling van S een kleinste element heeft. Per axioma nemen we aan dat N gewelordend is.
Inductiestelling
Stelling
Laat P(n) een open bewering zijn met domein N. Als (1) P(1) is waar, en (2) P(k)⟹P(k+1) is waar voor alle k∈N, dan is P(n) waar voor alle n∈N.
Bewijs
We bewijzen dit met contradictie. Neem aan dat (1) en (2) allebei waar zijn, maar er een a∈N bestaat zodat P(a) niet waar is.
We beschouwen de verzameling S={n∈N:¬P(n)}. Omdat er een a∈N bestaat waarvoor P(a) niet waar is, geldt S=∅.
Omdat N gewelordend is heeft S een kleinste element s∈S. Omdat 1∈/S vanwege (1), geldt s≥2, en dus geldt s−1∈N. Omdat s het kleinste element is van S, geldt dat s−1∈/S en dus geldt P(s−1) is waar. Maar dan is P(s) waar vanwege (2), en geldt dus s∈/S.
Dit is een contradictie. QED.
Voorbeelden
Stelling
∀n∈N:1+2+...+n=21n(n+1)
Bewijs
Met inductie op n, bewijzen we (1) 1=21(1)(1+1) en (2) 1+2+...+k=21k(k+1)⟹1+2+...+k+(k+1)=21(k+1)(k+2) voor elke k∈N.
(1) Er geldt 21(1)(1+1)=21⋅2=1.
(2) Neem aan dat 1+2+...+k=21k(k+1) voor elke k∈N. Tel nu aan beide kanten k+1 op: