Jeroen's Studie Archief

Goniometrie

Existentiële bewijzen

Een existentiële bewering is van de vorm ∃x∈S:P(x)\exists x \in S : P(x). Hier is het genoeg om één geval te noemen.

Stelling

∃x∈Z:x3=x2 \exists x \in \Z : x^3 = x^2

Bewijs

Aangezien 13=121^3=1^2, heeft het getal 11 de gewenste eigenschap. QED.

Bij een existentiëel bewijs is het niet nodig om een expliciet voorbeeld te geven, impliciet kan ook.

Stelling

∃a,b∈R\Q:ab∈Q \exists a,b \in \R \backslash \mathbb Q : a^b \in \mathbb Q

Bewijs

Beschouw het getal (2)2(\sqrt2)^{\sqrt2}. Dit getal is (1) rationaal of (2) irrationaal.

(1) Als (2)2(\sqrt2)^{\sqrt2} rationaal is, kiezen we a=b=2a=b=\sqrt2. Dan is aba^b rationaal.

(2) Als (2)2(\sqrt2)^{\sqrt2} irrationaal is, kiezen we a=(2)2a=(\sqrt2)^{\sqrt2} en b=2b=\sqrt2. Dan is ab=((2)2)2=(2)2=2∈Qa^b = \left((\sqrt2)^{\sqrt2}\right)^{\sqrt2} = (\sqrt2)^2 = 2 \in \mathbb Q.

QED.

Uniciteit

Als AA een verzameling is, zeggen we dat x∈Ax \in A uniek wordt bepaald door een eigenschap P(x)P(x) precies als ∀a,b∈A:(P(a)∧P(b))  ⟹  a=b\forall a,b \in A : (P(a) \land P(b)) \implies a = b.

Stelling

Voor elke x∈Rx\in\R met x>0x>0 bestaat er een unieke y∈Ry\in\R zodat y>0y>0 en y2=xy^2=x.

Bewijs

We bewijzen (1) dat zo'n yy bestaat en (2) dat die yy uniek is.

(1) Kies y=xy=\sqrt x. Dan geldt y2=xy^2=x, zoals gewenst.

(2) Laat x∈Rx\in\R met x>0x>0. Stel dat y,y′∈Ry,y'\in\R met y,y′>0y,y'>0 voldoen aan y2=xy^2=x en y′2=xy'^2=x. Dan geldt y2=y′2y^2=y'^2. En omdat y,y′>0y,y'>0 geldt ook dat y=y′y=y'.

Existentiële beweringen weerleggen

Voor het weerleggen van een existentiële bewering bewijzen we dat de negatie waar is.

Stelling

Bewijs dat ¬(∃n∈Z:2∣n3−n+1)\lnot \big( \exists n \in \Z : 2 | n^3-n+1 \big) .

Bewijs

We bewijzen dat ∀n∈Z:2∤n3−n+1\forall n \in \Z : 2 \nmid n^3-n+1, waarbij we de gevallen onderscheiden (1) 2∣n2|n en (2) 2∤n2 \nmid n.

(1) We nemen aan dat 2∣n2|n. Dan bestaat er een k∈Zk\in\Z zodat n=2kn=2k. Invullen geeft n3−n+1=(2k)3−2k+1=8k3−2k+1=2(4k3−k)+1n^3-n+1=(2k)^3-2k+1=8k^3-2k+1=2(4k^3-k)+1. Omdat 4k3−k∈Z4k^3-k\in\Z, geldt dat 2(4k3−k)+1=n3−n+12(4k^3-k)+1=n^3-n+1 oneven is.

(2) We nemen aan dat 2∤n2 \nmid n. Dan bestaat er een k∈Zk\in\Z zodat n=2k+1n=2k+1. Invullen geeft n3−n+1=(2k+1)3−(2k+1)+1=8k3+2k2+4k+1=2(4k3+k2+2k)+1n^3-n+1=(2k+1)^3-(2k+1)+1=8k^3+2k^2+4k+1=2(4k^3+k^2+2k)+1. Omdat 4k3+k2+2k∈Z4k^3+k^2+2k\in\Z, geldt dat 2(4k3+k2+2k)+1=n3−n+12(4k^3+k^2+2k)+1=n^3-n+1 oneven is.

QED.

Ceiling

Voor x∈Rx\in\R is de ceiling van xx, notatie ⌈x⌉\lceil x \rceil, het kleinste gehele getal a∈Za\in\Z zodat x≤ax \le a.

Voorbeelden

⌈2.9⌉=3,⌈−1.5⌉=−1,⌈4⌉=4 \lceil 2.9 \rceil = 3, \quad \lceil -1.5 \rceil = -1, \quad \lceil 4 \rceil = 4

Inductie

Kleinste element en gewelordend

Laat A⊆RA \subseteq \R. Een element x∈Ax \in A is een kleinste element of minimum van AA als ∀y∈A:y≥x\forall y \in A : y \ge x.

Opmerking: een kleinste element hoeft niet te bestaan. De verzameling Z\Z bijvoorbeeld heeft geen kleinste element.

Stelling

Een kleinste element is uniek.

Bewijs

Laat x,y∈Ax,y\in A kleinste elementen zijn van AA. Omdat xx een kleinste element is, geldt y≥xy \ge x. Maar omdat yy een kleinste element is, geldt ook x≥yx \ge y. Hieruit volgt dus dat x=yx=y. QED.

Een verzameling SS is gewelordend als elke niet-lege deelverzameling van SS een kleinste element heeft. Per axioma nemen we aan dat N\N gewelordend is.

Inductiestelling

Stelling

Laat P(n)P(n) een open bewering zijn met domein N\N. Als (1) P(1)P(1) is waar, en (2) P(k)  ⟹  P(k+1)P(k) \implies P(k+1) is waar voor alle k∈Nk\in\N, dan is P(n)P(n) waar voor alle n∈Nn\in\N.

Bewijs

We bewijzen dit met contradictie. Neem aan dat (1) en (2) allebei waar zijn, maar er een a∈Na\in\N bestaat zodat P(a)P(a) niet waar is.

We beschouwen de verzameling S={n∈N:¬P(n)}S=\{ n \in \N : \lnot P(n) \}. Omdat er een a∈Na\in\N bestaat waarvoor P(a)P(a) niet waar is, geldt S≠∅S \neq \emptyset.

Omdat N\N gewelordend is heeft SS een kleinste element s∈Ss \in S. Omdat 1∉S1 \notin S vanwege (1), geldt s≥2s \ge 2, en dus geldt s−1∈Ns-1\in\N. Omdat ss het kleinste element is van SS, geldt dat s−1∉Ss-1 \notin S en dus geldt P(s−1)P(s-1) is waar. Maar dan is P(s)P(s) waar vanwege (2), en geldt dus s∉Ss \notin S.

Dit is een contradictie. QED.

Voorbeelden

Stelling

∀n∈N:1+2+...+n=12n(n+1) \forall n \in \N : 1 + 2 + ... + n = \tfrac12n(n+1)

Bewijs

Met inductie op nn, bewijzen we (1) 1=12(1)(1+1)1 = \tfrac12(1)(1+1) en (2) 1+2+...+k=12k(k+1)  ⟹  1+2+...+k+(k+1)=12(k+1)(k+2)1 + 2 + ... + k = \tfrac12k(k+1) \implies 1 + 2 + ... + k + (k+1) = \tfrac12(k+1)(k+2) voor elke k∈Nk\in\N.

(1) Er geldt 12(1)(1+1)=12⋅2=1\tfrac12(1)(1+1) = \tfrac12 \cdot 2 = 1.

(2) Neem aan dat 1+2+...+k=12k(k+1)1 + 2 + ... + k = \tfrac12k(k+1) voor elke k∈Nk\in\N. Tel nu aan beide kanten k+1k+1 op:

1+2+...+k+(k+1)=12k(k+1)+(k+1)=(k+1)(12k+1)=12(k+1)(k+2) \begin{aligned} 1 + 2 + ... + k + (k+1) &= \tfrac12k(k+1) + (k+1) \\ &= (k+1)(\tfrac12k+1) \\ &= \tfrac12(k+1)(k+2) \end{aligned}

Hiermee is de inductie voltooid. QED.

Bij inductie hoef je niet bij n=1n=1 te beginnen. Je kan bij ieder natuurlijk getal beginnen.

Stelling

Voor elke n∈Nn\in\N met n≥5n\ge5, geldt 2n>n22^n>n^2.

Bewijs

Met inductie op nn, bewijzen we (1) 25>522^5>5^2 en (2) 2k>k2  ⟹  2k+1>(k+1)22^k>k^2 \implies 2^{k+1}>(k+1)^2 voor elke k∈Nk\in\N met k≥5k\ge5.

(1) Er geldt 25=32>25=522^5 = 32 > 25 = 5^2.

(2) Neem aan dat 2k>k22^k>k^2 voor elke k∈Nk\in\N met k≥5k\ge5. Dan geldt:

2k+1=2⋅2k>IH2k2=k2+k2=k2+kk≥k2+5k=k2+2k+3k>k2+2k+1=(k+1)2 \begin{aligned} 2^{k+1} &= 2 \cdot 2^k \stackrel{IH}{>} 2k^2 = k^2 + k^2 = k^2 + kk \ge k^2 + 5k \\ &= k^2 + 2k + 3k > k^2 + 2k + 1 = (k+1)^2 \end{aligned}

Hiermee is de inductie voltooid. QED.

Gemaakt door Jeroen van Rensen.