Met een limiet kun je waardes van een functie vinden op plekken die niet in zijn domein liggen.
De functie f(x) gaat naar de limiet b voor x gaat naar a, als het mogelijk is om f(x) willekeurig dicht bij b te krijgen door x maar dicht genoeg bij a te kiezen. We schrijven dan:
x→alimf(x)=b
Linker- en rechterlimiet
Soms is het handig om naar de limiet vanaf maar één zijde te kijken, namelijk voor x<a of x>a. Daarom zijn er:
De linkerlimiet, notatie limx↑af(x)
De rechterlimiet, notatie limx↓af(x)
Alleen als limx↑af(x)=limx↓af(x) geldt dat de limiet limx→af(x) bestaat.
Rekenregels voor limieten
Stel limx→af(x)=α en limx→ag(x)=β voor α,β∈R, dan gelden de volgende regels:
limx→a(f(x)+g(x))=α+β
limx→a(f(x)⋅g(x))=α⋅β
limx→ag(x)f(x)=βα, mits β=0
limx→af(g(x))=limx→βf(x)
Limieten vinden
Dit zijn enkele technieken om een limiet te vinden.
Gemeenschappelijke factor
Het onder en boven delen door een gemeenschappelijke factor.
Als voor elke x geldt dat g(x)≤f(x)≤h(x) en limx→ag(x)=limx→ah(x)=L, dan is ook limx→af(x)=L.
De insluitstelling kun je meestal gebruiken bij sinus of cosinus.
Voorbeeld
Omdat −1≤sin(x1)≤1, geldt dat −x≤xsin(x1)≤x. En omdat limx→0x=limx→0−x=0, geldt ook limx→0xsin(x1)=0.
Continuïteit
Een functie f(x) is continu in a als limx→af(x) bestaat en gelijk is aan f(a). Een functie is continu als het op ieder punt uit zijn domein continu is.