Jeroen's Studie Archief

Ruimte-tijd-diagrammen en tijddilatatie

Er is gebleken dat de geluidssnelheid niet altijd even snel is. Deze hangt af van de snelheden van de waarnemer en bron en bovendien is deze afhankelijk van het medium waar het doorheen beweegt.

Uit experimenten is gebleken dat de lichtsnelheid wél altijd even snel is. Uit het Doppler-effect blijkt dan dat de ether, als die bestaat, altijd met je meebeweegt. Na nog meer experimenten is gebleken dat er geen ether bestaat.

Toen kwam Einstein met de theorie van speciale relativiteit:

  • Beweging is relatief tot de observant (dit was al bekend)
  • Licht gaat t.o.v. de waarnemer altijd met een constante snelheid cc

Speciale relativiteit werkt alleen in inertiaalstelsels. Licht staat hier dus “los” van materie.

Ruimte-tijd-diagram

Een ruimte-tijd-diagram (of Minkowski-diagram) is een diagram waarin dingen uit de speciale relativiteit getekend kunnen worden.

De horizontale as is de xx-as (grijs) en de verticale as (grijs) is de ctct-as. Licht (rood) gaat altijd met een hoek van 45°45\degree of 45°-45\degree t.o.v. de xx-as.

Een punt in dit diagram heet een event (groen) en heeft een plaats en een tijd: (x,ct)(x, ct). De lijn die een object aflegt heet een wereldlijn (groen).

Alleen punten in de lichtkegel kun je bereiken met een snelheid vcv \le c. Al jouw mogelijke acties moeten dus in de lichtkegel liggen (boven de xx-as). En alleen acties uit de lichtkegel onder de xx-as kunnen invloed op jou uitoefenen.

Gedachte-experiment

We gaan uit van een persoon OO' dat met een constante snelheid vv voorbij OO beweegt. Op het moment t=t=0t=t'=0 zijn beide personen op dezelfde plek. Dit betekent dat geldt xO=vtx_{O'}=vt.

Op t=tet=t_e (emissie) zendt OO een lichtsignaal uit naar OO'. Op t=trt=t_r (reflectie) komt het licht aan bij OO' en reflecteert hij het licht terug naar OO. Op t=tdt=t_d (detectie) komt het licht weer aan bij OO.

Het ruimte-tijd-diagram ziet er dan zo uit:

De persoon in OO weet de tijden tet_e en tdt_d, maar niet trt_r. Wel zien we in het ruimte-tijd-diagram dat de heen- en terugweg van het licht even lang duren, dus tr=te+td2t_r = \dfrac{t_e+t_d}2.

Verder zien we dat het licht in tijd trtet_r-t_e afstand xrx_r aflegt, dus trte=xrc=vtrct_r-t_e = \dfrac{x_r}c = \dfrac{vt_r}c, waaruit volgt dat te=tr(1v/c)t_e=t_r(1-v/c).

Uit deze vergelijkingen kunnen we afleiden dat tdte=1+v/c1v/c\dfrac{t_d}{t_e} = \dfrac{1+v/c}{1-v/c}.

Vanuit OO'

Nu gaan we kijken vanaf OO'. Het ruimte-tijd-diagram ziet er zo uit:

Hier zien we gelijk al dat geldt trte+td2t_r\neq\dfrac{t_e+t_d}2. Wel zien we dat in tijd trtet_r'-t_e' het licht een afstand xe=vtex_e'=vt_e' aflegt. En omdat licht met snelheid cc gaat, volgt hieruit dat trte=vtect_r'-t_e'=\dfrac{vt_e'}c, waaruit volgt dat tr=te(1+v/c)t_r'=t_e'(1+v/c).

Vergelijkbaar zien we dat het licht in tijd tdtrt_d'-t_r' een afstand xd=vtdx_d'=vt_d' aflegt, oftewel tdtr=vtrct_d'-t_r'=\dfrac{vt_r'}c. Hieruit volgt dat tr=td(1v/c)t_r'=t_d'(1-v/c).

Als we deze vergelijkingen voor trt_r' aan elkaar gelijk stellen, vinden we:

tdte=1+v/c1v/c \dfrac{t_d'}{t_e'} = \dfrac{1+v/c}{1-v/c}

Hieruit concluderen we dat beide personen tot dezelfde rekensom, en dus dezelfde snelheid komen. We concluderen echter ook dat beide personen tijd anders ervaren, oftewel dat tijd relatief is.

Tijden converteren

We weten dat te=tr(1v/c)t_e=t_r(1-v/c) en td=te1+v/c1v/c=tr(1+v/c)t_d = t_e\dfrac{1+v/c}{1-v/c} = t_r(1+v/c).

Stel, er bestaat een functie f(t)f(t) zodat tr=f(te)t_r'=f(t_e). Dan is dit een functie die de tijd converteert van een stelsel dat licht uitzendt naar een stelsel dat licht ontvangt. Daarom moet ook gelden td=f(tr)t_d=f(t_r').

Dan geldt dus td=f(f(te))=te1+v/c1v/ct_d = f(f(t_e)) = t_e \dfrac{1+v/c}{1-v/c}. Hieruit volgt dan dat f(t)=t1+v/c1v/cf(t) = t\sqrt\dfrac{1+v/c}{1-v/c}. (We tonen niet aan dat dit de enige functie is met deze eigenschap, maar dat is wel zo.)

Afkortingen

We introduceren nu een paar afkortingen om de algebra makkelijker te maken.

β=vc \beta = \frac vc

k(β)=1+β1β k(\beta) = \sqrt\frac{1+\beta}{1-\beta}

γ=11β2 \gamma = \frac{1}{\sqrt{1-\beta^2}}

Conclusie

Nu geldt dus tr=tek(β)t_r'=t_ek(\beta) en te=tr(1β)t_e=t_r(1-\beta), waaruit volgt dat:

tr=tr(1β)k(β)=tr(1β)1+β1β=tr(1β)2(1+β)1β=tr(1β)(1+β)=tr1β2=tr1γ \begin{aligned} t_r' &= t_r (1-\beta) k(\beta) \\ &= t_r (1-\beta) \sqrt\dfrac{1+\beta}{1-\beta} \\ &= t_r \sqrt\dfrac{(1-\beta)^2(1+\beta)}{1-\beta} \\ &= t_r \sqrt{(1-\beta)(1+\beta)} \\ &= t_r \sqrt{1-\beta^2} \\ &= t_r \dfrac1\gamma \end{aligned}

We concluderen dus dat tr=γtrt_r = \gamma t_r'.

Eigentijd

Er geldt γ1\gamma \ge 1. Omdat tr=γtrt_r = \gamma t_r', betekent dat tijd wél afhangt van de observeerder.

De eigentijd daarentegen is een grootheid die niet afhangt van de observeerder. De eigentijd is de tijd die het stelsel, waar een event in de oorsprong zit, meet.

Er geldt dat de eigentijd altijd de kleinste tijd is. En omdat het reflectie-event bij OO' in de oorsprong plaatsvindt, geldt tr=γtrt_r = \gamma t_r' en niet andersom.

Gemaakt door Jeroen van Rensen.