De tweede wet van Newton zegt: F=md2xdt2 F = m \frac{d^2x}{dt^2} Het doel is meestal om v(t)v(t) of x(t)x(t) te vinden uit deze differentiaalvergelijking. We kijken naar een situatie met een constante versnelling aa met beginsnelheid v0v_0 en beginafstand x0x_0. We krijgen a=dvdta=\frac{dv}{dt}. Splitsen en integreren geeft: ∫v0v(t)dv=∫0tadt \int_{v_0}^{v(t)} dv = \int_0^t a dt v(t)=v0+at v(t) = v_0 + at Als we nu hetzelfde voor v=dxdtv=\frac{dx}{dt} doen, krijgen we: ∫x0x(t)dx=∫0t(v0+at)dt \int_{x_0}^{x(t)} dx = \int_0^t (v_0 + at) dt x(t)=x0+v0t+12at2 x(t) = x_0 + v_0t + \tfrac12at^2 Er zijn twee soorten luchtwrijving: Laminaire luchtwrijving, beschreven door F=−c1vF=-c_1v. Turbulente luchtwrijving, beschreven door F=−c2∣v∣vF=-c_2|v|v. We hebben de differentiaalvergelijking: F=mdvdt=−c1v F = m \frac{dv}{dt} = -c_1v Hieruit vinden we (met de substitutie τ=mc1\tau=\frac{m}{c_1}): v(t)=v0e−t/τ v(t) = v_0 e^{-t/\tau} x(t)=x0+v0τ(1−e−t/τ) x(t) = x_0 + v_0 \tau (1 - e^{-t / \tau}) Voor een vallend object (met valversnelling gg) en laminaire luchtweerstand krijgen we de differentiaalvergelijking: F=mdvdt=−mg−c1v F = m \frac{dv}{dt} = -mg - c_1v Oplossen geeft (met de substitutie ve=−mgc1v_e = \frac{-mg}{c_1}): v(t)=(ve+v0)e−t/τ−ve v(t) = (v_e + v_0) e^{-t / \tau} - v_e We hebben de differentiaalvergelijking: F=mdvdt=−c2∣v∣v F = m \frac{dv}{dt} = -c_2 |v| v We nemen aan dat v≥0v \ge 0 en lossen op voor v(t)v(t): v(t)=v0mm+v0c2t v(t) = \frac{v_0m}{m + v_0c_2t} Voor x(t)x(t) vinden we dan: x(t)=x0+mc2log(1+v0c2mt) x(t) = x_0 + \frac{m}{c_2} \log \left(1 + \frac{v_0c_2}{m}t \right) Merk op dat limt→∞x(t)=∞\lim_{t \to \infty} x(t) = \infty, wat best raar is. Dit is te verklaren doordat we alleen turbulente wrijving hebben genomen, en laminaire wrijving hebben genegeerd.
We gaan uit van een situatie met twee stelsels, OO en O′O', die relatief tot elkaar in de xx-richting bewegen. Het moment t=t′=0t=t'=0 is het moment dat ze bij elkaar zijn. Verder is er een event met coördinaat (xr,ctr)(x_r,ct_r). Ons doel is een functie te vinden om (xr′,ctr′)(x_r',ct_r') uit te drukken in (x,ctr)(x,ct_r). Stelsel OO zendt een lichtsignaal uit in de xx-richting. Op t=trt=t_r ontvangt en reflecteert het event het licht. Er geldt dan dat OO het licht uitzendt en ontvangt op te=tr−xrc ⟺ cte=ctr−xrt_e=t_r-\dfrac{x_r}c \iff ct_e=ct_r-x_r en td=tr+xrc ⟺ ctd=ctr+xrt_d=t_r+\dfrac{x_r}c \iff ct_d=ct_r+x_r . Vergelijkbaar komt het licht langs O′O' op ctr′−xr′ct_r'-x_r' en ctr′+xr′ct_r'+x_r'. Het ruimte-tijd-diagram van OO ziet er zo uit: En het ruimte-tijd-diagram van O′O' ziet er zo uit: Met de functie k(β)k(\beta) van de vorige keren krijgen we de volgende vergelijkingen: ctr′−xr′=k(β)(ctr−xr) ct_r' - x_r' = k(\beta)(ct_r-x_r) ctr′+xr′=1k(β)(ctr+xr) ct_r' + x_r' = \frac 1{k(\beta)}(ct_r+x_r) Uit deze twee vergelijkingen volgen: ctr′=γ(ctr−βxr) ct_r' = \gamma (ct_r - \beta x_r) xr′=γ(xr−βctr) x_r' = \gamma (x_r - \beta ct_r) En omdat de twee stelsels relatief tot elkaar bewegen in de xx-richting, geldt dat yr′=yry_r'=y_r en zr′=zrz_r'=z_r. Conclusie Voor een event met coördinaat r→=(x,y,z)\overrightarrow r = (x,y,z) en een tijd ctct, geldt dat een ander stelsel dat met constante snelheid vv beweegt in de xx-richting het event meet als: r→′=(γ(x−βct),y,z) \overrightarrow r ' = \big(\gamma (x - \beta ct), y, z\big) ct′=γ(ct−βx) ct' = \gamma (ct - \beta x)
We gaan uit van een stilstaande staaf OO met lengte LL. Langs die staaf beweegt O′O' met constante snelheid vv naar rechts. Op het moment t1=t1′=0t_1=t_1'=0 staan OO en O′O' op dezelfde plek, namelijk het ene uiteinde van de staaf. Op t2′t_2' is O′O' bij het achterste uiteinde van de staaf. Het ruimte-tijd-diagram van OO ziet er zo uit: En het ruimte-tijd-diagram van O′O' ziet er zo uit: Voor de tijd t2t_2 geldt L=vt2L=vt_2. Het event dat de achterkant van de staaf bij O′O' voorbij komt vindt plaats in de oorsprong van O′O'. Daarom heeft O′O' eigentijd, en dus geldt t2=γt2′ t_2 = \gamma t_2' , oftewel t2′=t2γ t_2' = \dfrac{t_2}\gamma . Voor de lengte L′L' weten we dat de snelheid gelijk is aan vv en de tijd t2′=t2γt_2'=\dfrac{t_2}\gamma. Hieruit vinden we: L′=vt2′=vt2γ=Lγ L' = vt_2' = \dfrac{vt_2}\gamma = \dfrac L\gamma Voor de lengte geldt dus precies hetzelfde als voor tijd: het stelsel waarin het event in de oorsprong plaatsvindt, meet de kortste lengte. We beschouwen nu drie stelsels O1,O2,O3O_1, O_2, O_3 die relatief tot elkaar met constante snelheid bewegen. De snelheid die O2O_2 heeft relatief tot O1O_1 noemen we v1,2v_{1,2} en de snelheid die O3O_3 heeft relatief tot O2O_2 noemen we v2,3v_{2,3}. We willen de snelheid die O3O_3 heeft relatief tot O1O_1, genaamd v1,3v_{1,3}, uitdrukken in v1,2v_{1,2} en v2,3v_{2,3}. Volgens Galilei-transformaties zou moeten gelden dat v1,3=v1,2+v2,3v_{1,3} = v_{1,2} + v_{2,3}, maar dat klopt niet. De ruimte-tijd-diagrammen van de drie stelsels zien er alsvolgt uit: Stelsel O1O_1 zendt op tijdstip t1=te1,1t_1=t_{e1,1} (emissie uit O1O_1 zoals gemeten door O1O_1) licht uit naar de twee andere stelsels. Stelsel O2O_2 detecteert dit licht op t2=td2,2t_2=t_{d2,2} (detectie in O2O_2 zoals gemeten door O2O_2) en O3O_3 detecteert dit licht op t3=td3,3t_3=t_{d3,3} (detectie in O3O_3 zoals gemeten door O3O_3). Hiervoor kunnen we dezelfde functie k(β)k(\beta) van de vorige keer gebruiken. Dit is namelijk een functie die tijd converteert van een stelsel dat licht "uitzendt" naar een stelsel dat licht ontvangt. Er geldt: td2,2=k(β1,2)te1,1 t_{d2,2} = k(\beta_{1,2}) t_{e1,1} td3,3=k(β2,3)td2,2=k(β2,3)k(β1,2)te1,1=k(β1,3)te1,1 \begin{aligned} t_{d3,3} &= k(\beta_{2,3}) t_{d2,2} \\ &= k(\beta_{2,3}) k(\beta_{1,2}) t_{e1,1} \\ &= k(\beta_{1,3}) t_{e1,1} \end{aligned} Hieruit vinden we dat k(β2,3)k(β1,2)=k(β1,3) k(\beta_{2,3}) k(\beta_{1,2}) = k(\beta_{1,3}) . Hieruit volgt dan weer dat: 1+β1,31−β1,3=1+β2,31−β2,3⋅1+β1,21−β1,2 \sqrt\frac{1+\beta_{1,3}}{1-\beta_{1,3}} = \sqrt\frac{1+\beta_{2,3}}{1-\beta_{2,3}} \cdot \sqrt\frac{1+\beta_{1,2}}{1-\beta_{1,2}} Uiteindelijk volgt hieruit de volgende formule voor de optelling van snelheden: v1,3=v1,2+v2,31+v1,2v2,3/c2 v_{1,3} = \frac{v_{1,2} + v_{2,3}}{1 + v_{1,2}v_{2,3}/c^2} Als zowel v1,2v_{1,2} als v2,3v_{2,3} veel kleiner is dan cc, dan gaat v1,2v2,3v_{1,2}v_{2,3} naar 00, en gaat v1,3v_{1,3} naar v1,2+v2,3v_{1,2} + v_{2,3}. Dit is de optelling van snelheden van Galilei. Als v1,2=cv_{1,2} = c, geldt: v1,3=v1,2+v2,31+v1,2v2,3/c2=c+v2,31+cv2,3/c2=c+v2,31+v2,3/c⋅cc=c⋅c+v2,3c+v2,3=c v_{1,3} = \frac{v_{1,2} + v_{2,3}}{1 + v_{1,2}v_{2,3}/c^2} = \frac{c + v_{2,3}}{1 + cv_{2,3}/c^2} = \frac{c + v_{2,3}}{1 + v_{2,3}/c} \cdot \frac cc = c \cdot \frac{c + v_{2,3}}{c + v_{2,3}} = c
Er is gebleken dat de geluidssnelheid niet altijd even snel is. Deze hangt af van de snelheden van de waarnemer en bron en bovendien is deze afhankelijk van het medium waar het doorheen beweegt. Uit experimenten is gebleken dat de lichtsnelheid wél altijd even snel is. Uit het Doppler-effect blijkt dan dat de ether, als die bestaat, altijd met je meebeweegt. Na nog meer experimenten is gebleken dat er geen ether bestaat. Toen kwam Einstein met de theorie van speciale relativiteit: Beweging is relatief tot de observant (dit was al bekend) Licht gaat t.o.v. de waarnemer altijd met een constante snelheid cc Speciale relativiteit werkt alleen in inertiaalstelsels. Licht staat hier dus “los” van materie. Een ruimte-tijd-diagram (of Minkowski-diagram) is een diagram waarin dingen uit de speciale relativiteit getekend kunnen worden. De horizontale as is de xx-as (grijs) en de verticale as (grijs) is de ctct-as. Licht (rood) gaat altijd met een hoek van 45°45\degree of −45°-45\degree t.o.v. de xx-as. Een punt in dit diagram heet een event (groen) en heeft een plaats en een tijd: (x,ct)(x, ct). De lijn die een object aflegt heet een wereldlijn (groen). Alleen punten in de lichtkegel kun je bereiken met een snelheid v≤cv \le c. Al jouw mogelijke acties moeten dus in de lichtkegel liggen (boven de xx-as). En alleen acties uit de lichtkegel onder de xx-as kunnen invloed op jou uitoefenen. We gaan uit van een persoon O′O' dat met een constante snelheid vv voorbij OO beweegt. Op het moment t=t′=0t=t'=0 zijn beide personen op dezelfde plek. Dit betekent dat geldt xO′=vtx_{O'}=vt. Op t=tet=t_e (emissie) zendt OO een lichtsignaal uit naar O′O'. Op t=trt=t_r (reflectie) komt het licht aan bij O′O' en reflecteert hij het licht terug naar OO. Op t=tdt=t_d (detectie) komt het licht weer aan bij OO. Het ruimte-tijd-diagram ziet er dan zo uit: De persoon in OO weet de tijden tet_e en tdt_d, maar niet trt_r. Wel zien we in het ruimte-tijd-diagram dat de heen- en terugweg van het licht even lang duren, dus tr=te+td2t_r = \dfrac{t_e+t_d}2. Verder zien we dat het licht in tijd tr−tet_r-t_e afstand xrx_r aflegt, dus tr−te=xrc=vtrct_r-t_e = \dfrac{x_r}c = \dfrac{vt_r}c, waaruit volgt dat te=tr(1−v/c)t_e=t_r(1-v/c). Uit deze vergelijkingen kunnen we afleiden dat tdte=1+v/c1−v/c\dfrac{t_d}{t_e} = \dfrac{1+v/c}{1-v/c}. Vanuit O′O' Nu gaan we kijken vanaf O′O'. Het ruimte-tijd-diagram ziet er zo uit: Hier zien we gelijk al dat geldt tr≠te+td2t_r\neq\dfrac{t_e+t_d}2. Wel zien we dat in tijd tr′−te′t_r'-t_e' het licht een afstand xe′=vte′x_e'=vt_e' aflegt. En omdat licht met snelheid cc gaat, volgt hieruit dat tr′−te′=vte′ct_r'-t_e'=\dfrac{vt_e'}c, waaruit volgt dat tr′=te′(1+v/c)t_r'=t_e'(1+v/c). Vergelijkbaar zien we dat het licht in tijd td′−tr′t_d'-t_r' een afstand xd′=vtd′x_d'=vt_d' aflegt, oftewel td′−tr′=vtr′ct_d'-t_r'=\dfrac{vt_r'}c. Hieruit volgt dat tr′=td′(1−v/c)t_r'=t_d'(1-v/c). Als we deze vergelijkingen voor tr′t_r' aan elkaar gelijk stellen, vinden we: td′te′=1+v/c1−v/c \dfrac{t_d'}{t_e'} = \dfrac{1+v/c}{1-v/c} Hieruit concluderen we dat beide personen tot dezelfde rekensom, en dus dezelfde snelheid komen. We concluderen echter ook dat beide personen tijd anders ervaren, oftewel dat tijd relatief is. We weten dat te=tr(1−v/c)t_e=t_r(1-v/c) en td=te1+v/c1−v/c=tr(1+v/c)t_d = t_e\dfrac{1+v/c}{1-v/c} = t_r(1+v/c). Stel, er bestaat een functie f(t)f(t) zodat tr′=f(te)t_r'=f(t_e). Dan is dit een functie die de tijd converteert van een stelsel dat licht uitzendt naar een stelsel dat licht ontvangt. Daarom moet ook gelden td=f(tr′)t_d=f(t_r'). Dan geldt dus td=f(f(te))=te1+v/c1−v/ct_d = f(f(t_e)) = t_e \dfrac{1+v/c}{1-v/c}. Hieruit volgt dan dat f(t)=t1+v/c1−v/cf(t) = t\sqrt\dfrac{1+v/c}{1-v/c}. (We tonen niet aan dat dit de enige functie is met deze eigenschap, maar dat is wel zo.) We introduceren nu een paar afkortingen om de algebra makkelijker te maken. β=vc \beta = \frac vc k(β)=1+β1−β k(\beta) = \sqrt\frac{1+\beta}{1-\beta} γ=11−β2 \gamma = \frac{1}{\sqrt{1-\beta^2}} Nu geldt dus tr′=tek(β)t_r'=t_ek(\beta) en te=tr(1−β)t_e=t_r(1-\beta), waaruit volgt dat: tr′=tr(1−β)k(β)=tr(1−β)1+β1−β=tr(1−β)2(1+β)1−β=tr(1−β)(1+β)=tr1−β2=tr1γ \begin{aligned} t_r' &= t_r (1-\beta) k(\beta) \\ &= t_r (1-\beta) \sqrt\dfrac{1+\beta}{1-\beta} \\ &= t_r \sqrt\dfrac{(1-\beta)^2(1+\beta)}{1-\beta} \\ &= t_r \sqrt{(1-\beta)(1+\beta)} \\ &= t_r \sqrt{1-\beta^2} \\ &= t_r \dfrac1\gamma \end{aligned} We concluderen dus dat tr=γtr′t_r = \gamma t_r'. Er geldt γ≥1\gamma \ge 1. Omdat tr=γtr′t_r = \gamma t_r', betekent dat tijd wél afhangt van de observeerder. De eigentijd daarentegen is een grootheid die niet afhangt van de observeerder. De eigentijd is de tijd die het stelsel, waar een event in de oorsprong zit, meet. Er geldt dat de eigentijd altijd de kleinste tijd is. En omdat het reflectie-event bij O′O' in de oorsprong plaatsvindt, geldt tr=γtr′t_r = \gamma t_r' en niet andersom.
Van een object PP in de ruimte kun je een vector rP=(x,y,z)r_P=(x,y,z) opstellen. Deze vector is een functie van tijd: rP(t)r_P(t). De snelheid van PP, uPu_P, is dan gelijk aan drPdt\dfrac{dr_P}{dt}. Let op: deze snelheid is relatief tot een oorsprong OO. Nu introduceren we een nieuw assenstelsel met een nieuwe oorsprong: O′O'. We schrijven de plaatsvector van ons object nu als rP′(t)=(x′,y′,z′)r_P'(t) = (x',y',z') en de snelheidsvector als uP′=drP′dtu_P'=\dfrac{dr_P'}{dt}. Twee assenstelsels heten inertiaalstelsels als ze niet onderling versnellend zijn (dus t.o.v. elkaar verplaatsen met een constante snelheid). We maken hier een paar aannames: Tijd is voor beide stelsels gelijk. Beide stelsels zijn inertiaalstelsels, waarbij O′O' weg beweegt van OO met een snelheid vv. Beide stelsels hebben de assen dezelfde kant op gericht. Het moment t=0t=0 is het moment dat beide stelsels zich op dezelfde plek bevinden. (Omdat de stelsels zich in één dimensie van elkaar af bewegen, is het altijd mogelijk om een assenstelsel en oorsprong zo te kiezen, dat de oorsprongen ooit bij elkaar zijn.) Nu kunnen we de locatie van rO′r_O' schrijven als rO′=rO+vt=vtr_O' = r_O + vt = vt. Object PP Van ons object PP weten we dat rP=rO′+rP′r_P = r_O' + r_P'. Zie onderstaande afbeelding: Hieruit volgt dat: rP′=rP−rO′=rP−vt r_P' = r_P - r_O' = r_P - vt Hiermee kunnen we ook de snelheid uP′u_P' uitrekenen: uP′=drP′dt=ddt(rP−vt)=drPdt−v=uP−v u_P' = \frac{dr_P'}{dt} = \frac{d}{dt}\big(r_P - vt\big) = \frac{dr_P}{dt} - v = u_P - v Ten slotte kunnen we nu ook de versnelling aP′a_P' uitrekenen: aP′=duP′dt=ddt(uP−v)=duPdt=aP a_P' = \frac{du_P'}{dt} = \frac{d}{dt}\big(u_P - v\big) = \frac{du_P}{dt} = a_P Hieruit kunnen we concluderen dat FP′=maP′=maP=FPF_P' = ma_P' = ma_P = F_P, dus de krachten die beide stelsels observeren zijn gelijk. Geluid is een periodieke verandering in tijd en in plaats van de luchtdruk. Geluid kunnen we daarom schrijven in een algemene formule voor de luchtdruk, PP: P(x,t)=P0+Asin(2π(xλ−tT)) P(x,t) = P_0 + A\sin\left(2\pi\left(\frac x \lambda - \frac t T\right)\right) Als de snelheid van de observant gelijk is aan de golfsnelheid, geldt xt=λT\dfrac x t = \dfrac \lambda T en dus xλ−tT=0\dfrac x \lambda - \dfrac t T = 0. Dat betekent dat P(x,t)P(x, t) constant is. Hieruit kun je concluderen dat als de luchtdruk PP constant is, je snelheid even groot is als de golfsnelheid. We gaan uit van een situatie van een bewegende bron OO die naar achteren beweegt met snelheid vv (t.o.v. de lucht) en een stilstaande observant O′O' (t.o.v. de lucht). Iedere trillingstijd TT komt er een piek die naar de observant toe beweegt. De golflengte die de observant meet λ′\lambda' is dan λ′=λ+Δx\lambda' = \lambda + \Delta x. Het stukje Δx\Delta x is de extra afstand van de golflengte, dat is de afstand die de bron aflegt in één trillingstijd TT. Daarom geldt dat Δx=vT\Delta x = vT. Dit geeft λ′=λ+vT\lambda' = \lambda + vT. Verder geldt vS=λf=λTv_S = \lambda f = \dfrac \lambda T, waaruit volgt dat T=λvST = \dfrac \lambda {v_S}. Dit invullen geeft: λ′=λ+vT=λ+vλvS=λ(1+vvS) \lambda' = \lambda + vT = \lambda + v \dfrac \lambda {v_S} = \lambda \left(1 + \dfrac v {v_S} \right) Nu kunnen we ook naar de gemeten trillingstijd kijken. Deze is anders dan de trillingstijd van de bron, dus kunnen we schrijven T′=T+ΔtT' = T + \Delta t. Deze Δt\Delta t is de tijd die de bron erover doet om de afstand Δx\Delta x af te leggen, dus Δt=vTvS\Delta t = \dfrac{vT}{v_S}. Dit geeft voor de trillingstijd: T′=T+Δt=T+vTvS=T(1+vvS) T' = T + \Delta t = T + \frac{vT}{v_S} = T \left(1 + \frac v {v_S}\right) f′=1T′=1T⋅11+vvS=f1+vvS f' = \frac 1 {T'} = \frac 1T \cdot \frac 1 {1 + \frac v {v_S}} = \frac f {1 + \frac v {v_S}} Hieruit volgt de geluidssnelheid vS′v_S': vS′=λ′f′=λ(1+vvS)⋅f1+vvS=λf=vS v_S' = \lambda' f' = \lambda(1 + \tfrac v {v_S})\cdot \frac f {1 + \frac v {v_S}} = \lambda f = v_S De geluidssnelheid is dus voor zowel de bron als voor de observant hetzelfde. We gaan uit van een situatie van een stilstaande bron OO (t.o.v. de lucht) en een observant O′O' die naar achteren beweegt met snelheid vv (t.o.v. de lucht). We kunnen de positie van O′O' schrijven als x′=x−vtx'=x-vt, waaruit volgt dat x=x′+vtx=x'+vt. Dit kunnen we nu invullen in de formule voor luchtdruk: P(x,t)=P(x′+vt,t)=P0+Asin(2π(x′+vtλ−tT))=P0+Asin(2π(x′λ+vtλ−tT))=P0+Asin(2π(x′λ−t(1T−vλ))) \begin{aligned} P(x,t) &= P(x'+vt,t) \\ &= P_0 + A\sin\left(2\pi\left(\frac{x'+vt} \lambda - \frac tT\right)\right) \\ &= P_0 + A\sin\left(2\pi\left(\frac {x'} \lambda + \frac{vt} \lambda - \frac tT\right)\right) \\ &= P_0 + A\sin\left(2\pi\left(\frac{x'} \lambda - t\left(\frac 1T - \frac v \lambda \right)\right)\right) \end{aligned} Hiermee vinden we dat λ′=λ\lambda' = \lambda en 1T′=1T−vλ\dfrac 1{T'} = \dfrac 1T - \dfrac v \lambda , oftewel: λ′=λ \lambda' = \lambda f′=f−vλ=f(1−vvS) f' = f - \frac v \lambda = f\left(1 - \frac v {v_S}\right) Voor de geluidssnelheid vinden we dan: vS′=λ′f′=λf(1−vvS)=vS−v v_S' = \lambda'f' = \lambda f\left(1 - \frac v {v_S}\right) = v_S - v Er blijkt dus dat hier de geluidssnelheden niet hetzelfde zijn.
Gemaakt door Jeroen van Rensen.